De Koerdische taal opnieuw monddood gemaakt in Turks parlement

Wie vrede zegt, zou moeten beginnen met erkenning. Toch bleek deze week opnieuw hoe diep het Turkse parlement verstrikt zit in zijn eigen wantrouwen en bevoogding. Een groep Peace Mothers, vrouwen die hun kinderen verloren in het conflict en symbool staan voor verzoening, kreeg niet de kans haar getuigenis in het Koerdisch af te leggen. Hun woorden werden afgesneden met een bureaucratische dooddoener: ‘een andere taal dan het Turks’.

Wat volgt is geen detail, maar de kern van de zaak. Taal is identiteit, taal is bestaansrecht. Wanneer Koerdische vrouwen in het parlement niet in hun eigen moedertaal mogen spreken, toont Turkije opnieuw dat het Koerden niet als gelijke burgers erkent. De weigering om vertaling toe te staan was geen kwestie van procedure, maar een politieke keuze: het voortzetten van een decennia oude praktijk van uitsluiting.

Parlementsvoorzitter Numan Kurtulmuş probeerde het paternalistisch te bagatelliseren: ‘Uw Turks is uitstekend.’ Alsof iemand anders dan de Koerden zelf mag bepalen in welke taal hun pijn, hun herinneringen en hun dromen het best worden verwoord. Deze neerbuigende houding is exemplarisch voor een staat die de Koerdische cultuur liever onzichtbaar maakt dan accepteert.

Systematische discriminatie
Dat Koerdische bijdragen in de notulen nog altijd niet bij naam genoemd worden, maar omslachtig worden weggeschreven als ‘vreemde taal’, herinnert aan de jaren waarin het Koerdisch zelfs officieel als ‘onbekende taal’ werd geregistreerd. De boodschap is dezelfde: Koerdisch bestaat niet. Het is een vorm van ontkenning die in strijd is met elementaire mensenrechten en iedere poging tot vrede ondermijnt.

Zoals taalkundige Zana Farqînî zegt: dit is de Koerdische kwestie. Het gaat niet om kleine symbolen, maar om structurele discriminatie. Een vredesproces dat Koerdisch verbiedt, verliest geloofwaardigheid nog voor het goed en wel begonnen is.

Echte vrede vraagt erkenning
Medevoorzitter van de Koerdische Studiesvereniging Remziye Alparslan wijst terecht op eenvoudige oplossingen: tolken in het parlement, aanpassing van het reglement, erkenning van het Koerdisch als onderwijstaal. Dat dit anno 2025 nog steeds taboe is, toont de halsstarrigheid van Ankara.

Het Koerdisch zou niet slechts ‘gedoogd’ moeten worden, maar volwaardig erkend – van kleuterklas tot universiteit, van parlement tot straat. Artikel 42 van de Turkse grondwet, dat onderwijs in een andere moedertaal verbiedt, is een flagrante schending van culturele rechten en een obstakel voor ieder democratisch samenleven.

Vrede kan niet in één taal
De huidige vredesronde, begonnen met het ontwapenen van de PKK, heeft enkel kans van slagen als ook de taal van de Koerden wordt erkend. Vrede kan niet in één taal bestaan. Door het Koerdisch te weren, toont de Turkse staat dat zij de Koerden niet als gelijke gesprekspartner beschouwt. Wie werkelijk vrede wil, stopt met het opleggen van het Turks als enige taal van de natie. Pas wanneer het Koerdisch in alle domeinen vrij gesproken kan worden, kan er sprake zijn van gelijkwaardigheid. Tot die tijd blijft elk vredesproces een façade, en elke belofte van verzoening een leugen.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring