Wat laten wij als Koerdische diaspora in Nederland eigelijk achter?

Afbeelding: Koerdistan Vandaag
Wie in Nederland, Duitsland, Zweden, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk naar de Koerdische gemeenschap kijkt, ziet een diaspora die nadrukkelijk aanwezig is. We organiseren festivals, demonstraties en herdenkingen. We openen Koerdische restaurants en ondernemingen. We reizen massaal naar Koerdistan. We hangen de Koerdische vlag op, luisteren naar Koerdische muziek en delen beelden van Koerdische steden.
Onze verbondenheid met Koerdistan is moeilijk te missen en wordt, gelukkig, alleen maar sterker.
Toch is er vraag die wij onszelf minder vaak stellen: Wat bouwen we eigelijk op?
Niet voor vandaag. Niet voor een demonstratie volgende maand, of een feest volgend jaar, maar wat bouwen wij als Koerdische diaspora daadwerkelijk op, waarvan onze Koerdische kinderen dat over dertig of vijftig jaar ergens in Europa wordt geboren nog steeds van profiteert?
Het antwoord op die vraag is ongemakkelijker, maar moet benoemd worden.
We consumeren onze identiteit
Een groot deel van onze Koerdische identiteit in de diaspora is consumptief geworden. We dragen Koerdische kleding. We bezoeken Koerdische feesten. We kopen Koerdische producten. We vliegen naar Koerdistan. We volgen Koerdische accounts op sociale media. Zodra er iets gebeurt, verschijnen duizenden vlaggen, video’s en berichten.
Begrijp me niet verkeerd. Daar is niets verkeerds aan. Een volk dat verspreid, leeft. Identiteit heeft symbolen nodig. Cultuur bestaat uit muziek, eten, kleding en gezamenlijke evenementen. Zo houden we onszelf verbonden met onze afkomst en nodigen we de buitenwereld uit om onze cultuur te erkennen, herkennen en bekennen.
Maar een vlag bouwt geen instituut. Een feest geeft onze kinderen geen Koerdische onderwijs in Koerdische taal, literatuur en geschiedenis. Een instagrambericht creëert geen Koerdisch archief. Een demonstratie leidt op zichzelf niet tot politieke invloed.
En een sterke emotionele verbondenheid met Koerdistan garandeert niet dat die verbondenheid drie generaties later nog bestaat.
Daar zit voor mij het probleem.
Wij zijn bijzonder goed in het beleven van de Koerdische identiteit. We zijn veel minder goed geworden in het institutionaliseren van de Koerdische identiteit.
Onze ouders hadden een andere taak
We moeten ook eerlijk zijn tegenover de generaties die voor ons kwamen. Onze ouders kwamen hier niet terecht met een strategische plan voor de toekomst van de Koerdische diaspora. Ze kwamen als arbeiders, vluchtelingen, studenten of politieke ballingen. Velen zijn alles kwijtgeraakt en moesten vanaf nul beginnen in een land waarvan ze de taal nauwelijks spreken.
Hun eerst opdracht was veel eenvoudiger en tegelijkertijd veel zwaarder: Overleven. Werk vinden. Een huis krijgen. Kinderen opvoeden. Familie in Koerdistan ondersteunen. Een nieuwe taal leren. Tegelijkertijd proberen ervoor te zorgen dat hun kinderen nog wisten waar ze vandaan kwamen. Dat die generatie erin is geslaagd om een groot deel van de Koerdische identiteit door te geven, verdient erkenning.
Maar ‘onze’ situatie is anders. Vandaag hebben we een generatie Koerden in Nederland die hier geboren en opgeleid is. Artsen, juristen, ondernemers, ingenieurs, consultants, onderzoekers, docenten, journalisten en ambtenaren.
We kennen de taal. We begrijpen de instituties. We weten hoe Nederlandse (en Europese) samenlevingen functioneren. We hebben toegang tot universiteiten, politieke partijen, ondernemingen, media en maatschappelijke organisaties waarvan onze ouders vaak nauwelijks deel konden uitmaken.
Daar komt ook een andere soort verantwoordelijkheid bij kijken. Onze ouders wilden niet dat de Koerdische identiteit verloren ging. Onze generatie moet zich afvragen hoe we ervoor zorgen dat zij blijft bestaan wanneer onze ouders er niet meer zijn.
Waar zijn onze instituties die ook echt wat doen?
Kijk eens kritische naar de omvang van de Koerdische diaspora in Nederland en Europa en stel jezelf vervolgens enkele eenvoudige vragen af.
Waar zijn onze grote, professionele Koerdische onderzoeksinstituten?
Waar zijn de fondsen die jaarlijks Koerdische studenten steunen?
Waar zijn de organisaties die systematisch onderzoek doen naar Koerdische geschiedenis, politiek, taal en cultuur?
Waar zijn de archieven waarin tientallen jaren aan diaspora-geschiedenis wordt vastgelegd?
Waar zijn de instellingen die kinderen structureel Koerdisch leren lezen en schrijven?
Waar zijn de organisaties die jonge Koerden opleiden om later actief te worden binnen journalistiek, wetenschap, diplomatie, politiek en openbaar bestuur?
Ze bestaan hier en daar. Er zijn waardevolle initiatieven en mensen die hier al jaren, ook vrijwillig, aan werken. Hiervoor mijn en onze dank.
Maar afgezet tegen de omvang, economische positie en het menselijke kapitaal van honderden duizenden Koerden in Nederland en miljoenen in heel Europa blijft onze institutionele infrastructuur opvallend beperkt.
Te veel organisaties bestaan zolang één gemotiveerde oprichter bereid is alles te dragen. Wanneer die persoon stopt, stopt vaak ook de organisatie. Dat is geen instituut. Dat is individuele inzet. Een daadwerkelijk sterke gemeenschap bouwt organisaties die hun oprichters overleven.
Stel je eens voor wat één procent zou kunnen doen
Er circuleert veel geld binnen onze gemeenschappen. Vermogende Koerden; ik kijk ook naar jullie. Want jullie ‘zware’ schouders zouden de zwaarste lasten moeten dragen.
We geven geld uit aan bruiloften, auto’s, vakanties, restaurants, kleding, feesten en reizen naar Koerdistan. Ook worden grote bedragen naar familieleden of projecten in Koerdistan gestuurd.
Opnieuw: daar is op zichzelf weinig mis mee. Ook dat is nodig.
Maar stel je eens voor dat een klein gedeelte van het vermogen dat jaarlijks binnen de diaspora wordt uitgegeven structureel zou worden geïnvesteerd in onze eigen instellingen. Geen incidentiele inzamelingsacties nadat ergens een ramp heeft plaatsgevonden. Een permanente fonds. Eentje die studiebeurzen financiert. Dat onderzoeksprojecten mogelijk maakt. Koerdische journalisten ondersteund. Boeken laat vertalen naar het Koerdisch. Cultureel erfgoed digitaliseert. Taalonderwijs financiert. Jonge Koerden stages laat lopen bij Europese instellingen. Juridische expertise opbouwt.
Een permanente fonds dat over twintig jaar nog steeds bestaat, ongeacht welke politieke partij op dat moment populaire is of welke persoon de leiding heeft.
Dát is institutionele macht. En institutionele macht is veel minder zichtbaar dan een volle demonstratie op een stadsplein, maar op lange termijn veel waardevoller.
Onze kinderen zullen niet vanzelf Koerdisch blijven
Dit is de meest gevoelige waarheid. Wij gaan er te gemakkelijk van uit dat onze kinderen en kleinkinderen vanzelf verbonden zullen blijven met Koerdistan.
De werkelijkheid werkt anders.
Een kind dat in 2050 in Rotterdam wordt geboren, met ouders die zelf al in Nederland zijn opgegroeid en grootouders die ooit uit Koerdistan kwamen, beleeft zijn identiteit anders dan iemand die zelf in Hewlêr, Amed, Kobanî of Mehabad heeft gewoond.
Voor ons kan Koerdistan herinnering zijn.
Voor onze kinderen wordt het steeds vaker een verhaal.
En verhalen verdwijnen wanneer niemand ze bewaart.
Als wij willen dat toekomstige generaties Koerdisch spreken, hebben we onderwijs nodig.
Als wij willen dat zij onze geschiedenis kennen, hebben we archieven, boeken en onderzoek nodig.
Als wij willen dat zij betrokken blijven bij Koerdistan, hebben we organisaties nodig waarin zij een plaats kunnen vinden.
Als wij willen dat Europa begrijpt wie Koerden zijn, hebben we professionele media en maatschappelijke instellingen nodig.
Cultuur kan eeuwen overleven, maar zelden uitsluitend dankzij emotie.
Ze heeft structuren nodig.
We hoeven het niet overal mee eens te zijn.
Wanneer Koerden spreken over hun zwaktes, komt vrijwel altijd hetzelfde onderwerp naar voren: verdeeldheid.
Politieke partijen. Regio’s. Dialecten. Ideologieën. Familieachtergronden. Geloof.
Daarna volgt meestal dezelfde oproep: Koerden moeten één worden.
Maar misschien stellen we daarmee de verkeerde voorwaarde.
Miljoenen Nederlanders zijn het politiek ook niet met elkaar eens. Duitsers evenmin. Amerikanen zeker niet.
Een volwassen gemeenschap hoeft geen politieke eenheid te kennen om sterke universiteiten, bedrijven, media, culturele instellingen en maatschappelijke organisaties op te bouwen.
Wij hoeven het dus niet overal over eens te worden.
We moeten leren samenwerken op terreinen waar overeenstemming wél mogelijk is.
Een Koerdisch kind leren lezen heeft geen partijpolitieke kleur nodig.
Het bewaren van oude documenten hoeft geen ideologische strijd te zijn.
Een student een beurs geven hoeft niet afhankelijk te zijn van zijn familienaam.
Een journalistiek instituut zou geen spreekbuis van een partij hoeven worden.
Juist daar ligt misschien onze volgende stap als diaspora.
Organisaties bouwen die groter zijn dan onze meningsverschillen.
Aanwezig zijn is goed, maar invloed is duurzaam
De Koerdische diaspora heeft de afgelopen decennia iets belangrijks bereikt: aanwezigheid. Nederland, Europa en de wereld weet dat Koerden bestaan.
Koerdische vlaggen zijn zichtbaar, onze gemeenschappen zijn groot, Koerden zitten inmiddels in gemeenteraden, parlementen, bedrijven, universiteiten en allerlei essentiële beroepsgroepen.
Maar aanwezigheid is geen invloed.
Invloed ontstaat wanneer kennis wordt georganiseerd.
Wanneer kapitaal wordt gebundeld.
Wanneer expertise wordt doorgegeven.
Wanneer professionele netwerken generaties meegaan.
Wanneer een organisatie niet hoeft te beginnen vanaf nul iedere keer dat er een nieuw probleem ontstaat.
Wij reageren nog te vaak op gebeurtenissen.
Er gebeurt iets in Koerdistan en we mobiliseren.
Er dreigt gevaar en we demonstreren.
Er vindt een ramp plaats en we zamelen geld in.
Die solidariteit is waardevol. Maar een gemeenschap die volwassen institutionele macht wil ontwikkelen, moet behalve reageren ook vooruit leren kijken.
Wat wil jij achterlaten?
Uiteindelijk komt mijn vraag daarop neer. Wat laten wij achter? Onze ouders lieten ons iets waardevols na. Ondanks oorlog, onderdrukking, migratie en enorme persoonlijke offers gaven zij ons een identiteit mee.
Ze leerden ons dat we Koerd zijn. De vraag is wat wij daarmee doen. Geven wij onze kinderen straks uitsluitend verhalen, foto’s, vlaggen en herinneringen? Of laten we hun ook scholen, fondsen, archieven, mediaplatforms, onderzoekscentra en professionele organisaties na?
Misschien moeten we onze definitie van Koerdisch activisme daarom verbreden.
Activisme is ook een bibliotheek bouwen.
Een studiebeurs financieren.
Een archief digitaliseren.
Een journalist opleiden.
Een instituut oprichten.
Een organisatie financieel gezond achterlaten voor iemand die je zelf nooit zult ontmoeten.
De Koerdische diaspora heeft genoeg mensen, kennis en economische capaciteit om veel meer te bouwen dan we vandaag doen.
Wat ontbreekt is geen liefde voor Koerdistan.
Daarvan hebben we genoeg.
Wat ontbreekt, is het besef dat liefde voor een land of volk uiteindelijk ook moet worden omgezet in structuren die langer meegaan dan wijzelf.
Want een identiteit die alleen wordt gevierd, is kwetsbaar.
Een identiteit die wordt doorgegeven, georganiseerd en geïnstitutionaliseerd, kan generaties overleven.
Misschien is dat wel de belangrijkste opdracht van onze generatie.Niet voortdurend vragen wat Koerdistan ons heeft gegeven. Maar onszelf afvragen:
wat laten wij aan Koerdistan en aan de generaties na ons achter?
