>>> Jaarlijks wordt de Anfalcampagne herdacht in Koerdistan

23 februari 1988: het begin van de Anfal-genocide op de Koerden

Op 23 februari 1988 begon de eerste fase van de Anfal-campagne van het Ba’ath-regime in Irak. Deze fase, later bekend als Anfal I, vormde het begin van een georganiseerde militaire en politieke campagne die uitgroeide tot een van de zwaarste misdaden tegen de Koerden in de moderne geschiedenis van Irak. Wat begon als een offensief in een specifiek gebied, bleek al snel onderdeel van een veel bredere strategie van vernietiging, ontvolking en terreur.

Waarom Anfal I begon in de Jafati-vallei
Anfal I richtte zich vooral op de Jafati-vallei in de regio rond Suleimaniyeh. Dit gebied had in die periode grote strategische en politieke betekenis, omdat het gold als een belangrijk bolwerk van de Koerdische oppositie, met name van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK). In en rond dorpen als Yakhsamar, Sergalou en Bergalou bevonden zich politieke, militaire en logistieke structuren van de Koerdische beweging.

Voor het regime in Bagdad was dit niet alleen een militair doelwit, maar ook een symbolisch doelwit: het breken van Koerdische organisatiekracht in een gebied dat moeilijk controleerbaar was en sterk verbonden was met verzet.

In het gebied van Jafati, Goptapa, begonnen de eerste aanvallen

De openingsaanval van 23 februari 1988
In de vroege uren van 23 februari werden dorpen in het gebied getroffen door zware artilleriebeschietingen. Kort daarna volgden gecoördineerde grondoperaties vanuit meerdere richtingen. Daarmee begon feitelijk de eerste Anfal-fase. Het offensief werd uitgevoerd met inzet van reguliere troepen, ondersteund door luchtmacht en zware militaire middelen.

De aanval was niet beperkt tot frontlinies of posities van Peshmerga. Ook de omliggende dorpen kwamen direct onder vuur te liggen. Dat maakt duidelijk dat het doel van de operatie vanaf het begin breder was dan alleen het uitschakelen van gewapende tegenstanders.

Meer dan een militaire operatie
Anfal I werd door het regime gepresenteerd als een veiligheidsoperatie tegen “saboteurs” en tegenstanders van de staat. In de praktijk had de operatie echter ook een duidelijke logica van collectieve bestraffing. Niet alleen strijders, maar hele dorpsgemeenschappen werden getroffen.

Tijdens de eerste fase werden tientallen dorpen in het operatiegebied aangevallen, verlaten of vernietigd. Nadat bewoners op de vlucht waren geslagen, werden veel dorpen systematisch met de grond gelijk gemaakt. Dit gebeurde niet willekeurig, maar als onderdeel van een beleid dat erop gericht was de sociale en geografische basis van het Koerdische leven in de regio weg te vagen.

De humanitaire gevolgen van Anfal I
De impact op de burgerbevolking was enorm. Duizenden mensen sloegen op de vlucht via bergachtig terrein, vaak richting de Iraanse grens. Dat gebeurde onder extreem zware omstandigheden: winterkou, voedseltekorten, mijnengevaar en voortdurende dreiging vanuit de lucht maakten de vlucht levensgevaarlijk.

Voor veel families betekende Anfal I niet alleen het verlies van hun dorp, maar ook het verlies van bestaanszekerheid, familieleden en elke vorm van bescherming. De eerste fase liet al zien wat later in de bredere Anfal-campagne nog duidelijker zichtbaar werd: ontvolking was geen bijwerking van het offensief, maar een centraal effect van de operatie.

Halabja binnen dezelfde periode
Anfal I liep van 23 februari tot 19 maart 1988. Binnen die periode vond ook de gifgasaanval op Halabja plaats op 16 maart 1988. Hoewel Halabja vaak als een afzonderlijke tragedie wordt besproken, valt die aanval historisch binnen dezelfde escalatiefase van geweld tegen Koerdische gebieden.

De aanval op Halabja werd een internationaal symbool van de gruwel van het Ba’ath-regime, maar de gebeurtenissen in de Jafati-vallei en omliggende gebieden maken duidelijk dat het geweld in die weken niet op zichzelf stond. Het ging om een bredere campagne waarin militaire operaties, vernietiging van dorpen en geweld tegen burgers samenkwamen.

Anfal I als beginpunt én voorbode
De eerste fase van Anfal was al extreem gewelddadig, maar laat ook zien hoe de campagne zich later verder ontwikkelde. In Anfal I waren bepaalde patronen van massale repressie al aanwezig: belegering, bombardementen, gedwongen vlucht en systematische verwoesting van dorpen. In latere fases zouden deze methoden op grotere schaal en nog systematischer worden toegepast, inclusief grootschalige verdwijningen en executies.

Juist daarom is Anfal I historisch zo belangrijk. Het is niet alleen de eerste fase in chronologische zin, maar ook het moment waarop de structuur van de campagne zichtbaar werd: eerst isoleren, dan aanvallen, vervolgens ontvolken en daarna vernietigen.

Overblijfselen van de campagne

Waarom 23 februari 1988 blijvende betekenis heeft
23 februari 1988 moet worden herinnerd als meer dan een militaire startdatum. Het is de dag waarop een staatsapparaat — partij, leger, veiligheidsdiensten en lokale bondgenoten — zichtbaar in beweging kwam tegen Koerdische gemeenschappen op een manier die veel verder ging dan oorlogvoering.

Voor Koerden in Irak en daarbuiten staat deze datum daarom voor het begin van een georganiseerde vernietigingscampagne die diepe sporen heeft nagelaten in families, dorpen en collectief geheugen. De herinnering aan Anfal I is niet alleen een historische plicht, maar ook een waarschuwing: wanneer ontmenselijking, staatspropaganda en militair geweld samenvallen, kan een bevolking in zeer korte tijd doelwit worden van systematische vernietiging.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring