>> Militaire parade van het Iraakse leger in Baghdad op de verjaardag van Saddam Hussein, 28 april 1989

Stichtingsdag van het Iraakse leger: een pijnlijke herinnering voor Koerdistan

Door Xelil Sincari
Voormalig Peshmerga-strijder en politicus met jarenlange ervaring in de journalistiek. Als auteur van een boek en veelgevraagd opiniemaker schrijft hij regelmatig over politieke en maatschappelijke kwesties.

Op 6 januari herdenkt Irak de oprichting van het Iraakse leger. Voor velen is dit een nationale herdenkingsdag, maar voor het Koerdische volk roept deze datum vooral pijnlijke herinneringen op. De geschiedenis van het Iraakse leger laat zien dat deze instelling herhaaldelijk werd ingezet tegen een deel van de eigen bevolking, met name in Koerdistan. Dit vraagt om een kritische en eerlijke reflectie, los van symboliek en nationale slogans.

In principe behoort een nationaal leger de soevereiniteit van het land te beschermen en veiligheid te garanderen voor alle burgers, zonder etnisch, religieus of politiek onderscheid. In de Iraakse context is dit ideaal echter lange tijd niet nageleefd. De relatie tussen het leger en de Koerdische regio werd gekenmerkt door geweld, repressie en structurele schendingen van mensenrechten.

Sinds de oprichting van de Iraakse staat werd Koerdistan geconfronteerd met militaire campagnes, economische blokkades en veiligheidsmaatregelen die zwaar drukten op de burgerbevolking. De aanwezigheid van het leger en veiligheidsdiensten ging vaak gepaard met vernietiging van dorpen, massale ontheemding en aanzienlijke aantallen burgerslachtoffers.

Opeenvolgende Iraakse regeringen, monarchaal, republikeins en ook na 2003 maakten gebruik van militair geweld om Koerdische politieke en maatschappelijke eisen te onderdrukken. Dit uitte zich in gewapende confrontaties, gedwongen deportaties, arrestaties en georganiseerde strafcampagnes. Deze aanpak was geen uitzondering of ideologisch gebonden, maar een terugkerend patroon in het staatsbeleid ten opzichte van Koerdistan.

Tijdens het Baath-regime bereikte dit beleid zijn meest extreme vorm. Grootschalige operaties, uitgevoerd door alle onderdelen van de strijdkrachten, culmineerden in de Anfal-campagnes. Deze leidden tot de dood van meer dan 182.000 Koerdische burgers, de gedwongen verplaatsing van honderdduizenden mensen en de vernietiging van meer dan vijfduizend dorpen.

🔺 Koerden die op 16 maart 1988 omkwamen bij een Iraakse chemische aanval op de Koerdische stad Halabja, waarbij binnen enkele uren meer dan 5.000 mensen werden gedood.

Daarbij werden internationaal verboden wapens ingezet, waaronder chemische wapens, fosfor en napalm. Dorpen, steden en burgerdoelen inclusief onderwijsinstellingen zoals de Universiteit van Sulaimaniya en de stad Qalat Diza in 1974 werden doelwit van luchtaanvallen en artilleriebeschietingen. De gevolgen waren grootschalige infrastructurele schade, langdurige humanitaire crises en blijvende maatschappelijke trauma’s.

Daarnaast werden duizenden burgers gearresteerd, gemarteld of gedood in detentie. Beleidsmaatregelen zoals arabisering campagnes, gedwongen verhuizingen en confiscatie van eigendommen veranderden blijvend de demografische en sociale structuur van meerdere Koerdische gebieden.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat de stichtingsdag van het Iraakse leger voor veel Koerden geen moment van nationale trots is, maar een dag van herdenking en rouw. In het collectieve geheugen staat deze datum symbool voor lijden en onrecht, niet voor bescherming en eenheid.

Des te schrijnender is dat deze tragedies voortkwamen uit legitieme eisen: gelijkheid, sociale rechtvaardigheid en erkenning van nationale rechten binnen de Iraakse staat. In plaats van politieke dialoog en constitutionele oplossingen, werd structureel gekozen voor militair ingrijpen.

Ook na 2003 bleven de spanningen tussen de federale overheid en de Koerdische regio bestaan, met terugkerende conflicten over begroting, salarissen, oliebeheer en de uitvoering van de grondwet. Deze dossiers worden bovendien regelmatig ingezet voor politieke en electorale doeleinden.

Het herdenken van deze geschiedenis betekent geen ontkenning van de offers van individuele soldaten. Het onderstreept juist de noodzaak van een professionele, nationale militaire doctrine die gebaseerd is op rechtsstaat, burgerbescherming en politieke neutraliteit. Alleen door het leger definitief buiten interne conflicten te houden, kan worden voorkomen dat de tragedies uit het verleden zich herhalen.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring