Mam Jalal Talabani (1933–2017) een leven in dienst van Koerden en Koerdistan
Deze artikel is geschreven door: Ahmed Khoshnaw
Vandaag is het acht jaar geleden dat Jalal “Mam Jalal” Talabani (Koerdische voor: Oom Jalal) overleed. Voor velen is hij de verpersoonlijking van diplomatie in donkere tijden: guerrillaleider en vredessluiter, partijbouwer en president, bruggenbouwer tussen Koerden, Arabieren, sjiieten en soennieten. Als eerste Koerdische president van Irak stond hij symbool voor erkenning én voor het trage werk van instituties opbouwen. Daarom herdenken de Koerden hem vandaag als iemand die zijn leven wijdde aan het veiligstellen van een politieke plek voor de Koerden binnen Irak en die de taal van compromis tot instrument van overleven verhief.
Het persoonlijke leven van Mam Jalal
Hij werd in 1933 geboren in Kelkan, in de omgeving van Koya in de gemeente van Erbil (Hewler), in een vooraanstaande Talabani-familie. Hij volgde basis- en middelbaar onderwijs in Koya, Erbil en Kirkuk, en begon in 1953 aan de rechtenstudie aan de Universiteit van Bagdad. In 1956 moest hij onderduiken vanwege zijn activiteiten in de Koerdische Studentenunie; na de revolutie van 1958 keerde hij terug en studeerde in 1959 af, waarna hij dienst deed als tankcommandant in het Iraakse leger. Al als tiener organiseerde hij een geheime scholierenvereniging, en in 1947 werd hij lid van de KDP; op zijn achttiende zat hij al in het centrale comité. Dit vroege portret zegt veel: intellectueel gevormd, organisatorisch vaardig en niet bang om verantwoordelijkheid te nemen.

In zijn persoonlijke leven trouwde Talabani met Hero Ibrahim Ahmed, dochter van de Koerdische schrijver en jurist Ibrahim Ahmed. Samen kregen zij twee zonen, Bafel (1973) en Qubad (1977). Via Hero’s familie liep een brug naar andere sleutelfiguren: haar zus Shanaz is gehuwd met de huidige Iraakse president Abdul Latif Rashid. Over Talabani’s eigen ouders is publiekelijk minder vastgelegd, maar bronnen vermelden zijn vader Husamuddin, een sjeik van de Koy-Sanjaq-tak van de Talabani’s. De familielijn omvat ook culturele en politieke figuren, wat mede verklaart waarom “Mam Jalal” in Koerdistan al vroeg een morele en sociale autoriteit werd.
Van Septemberrevolutie tot partijbreuk
Politiek stond Talabani al vroeg aan het front. In september 1961 brak de Septemberrevolutie uit; Talabani kreeg het bevel over de fronten rond Kirkuk en Sulaimaniyah en leidde in 1962 een gecoördineerd Peshmerga-offensief dat Sharbazher bevrijdde. Naast strijd leverde hij diplomatie: regelmatig reisde hij in de jaren zestig als gezant van de Koerdische leiding door het Midden-Oosten en Europa. In 1964 brak binnen de KDP een conflict uit over koers en organisatie; Talabani schaarde zich bij de “Political Bureau”-vleugel die zich afzette tegen de leiding rond Mullah Mustafa Barzani. Hij keerde later terug in de rangen, vocht mee in 1974–1975, maar de Algiers-overeenkomst (1975), die de Iraanse steun aan de Koerdische opstand beëindigde, bezegelde de nederlaag van de opstand en maakte een andere koers noodzakelijk.

Oprichting Pattriotische Unie van Koerdistan (PUK)
Die andere koers heette PUK. In de nasleep van 1975 voerde Talabani gesprekken in Damascus, Beiroet en Berlijn met o.a. Nawshirwan Mustafa, Ali Askari, Fuad Masum en anderen. In juni 1975 werd de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) officieel gelanceerd: een brede, links-geïnspireerde formatie die guerrillaverzet koppelde aan organisatie- en kaderopbouw. De PUK was geen simpele afsplitsing, maar een poging om de Koerdische beweging ideologisch en organisatorisch te vernieuwen na een nederlaag.
Jaren tachtig: oorlog, Anfal en overleven
In de jaren tachtig opereerde de PUK vanuit bases in het binnenland, vaak in een dodelijk wisselspel tussen het regime in Bagdad en de Iraans-Iraakse oorlog. De Anfal-campagne (1987–1988), massale deportaties, vernietiging van dorpen en gifgasaanvallen, sloeg ook in PUK-gebieden diepe wonden. Talabani moest tijdelijk uitwijken, maar de kern van zijn politiek veranderde niet: militair standhouden, politiek allianties smeden en overal kanalen openhouden. Toen in 1991 de volksopstand uitbrak en de veilige zone in Basur (Iraaks Koerdistan) ontstond, was Talabani een sleutelfiguur in het onderhandelen over een staakt-het-vuren en het mede-opzetten van de internationale beschermingsconstructie. In 1992 volgden verkiezingen en de oprichting van de KRG, een onvolkomen maar levensreddend begin van zelfbestuur.

Burgeroorlog en verzoening
De jaren 1994–1998 brachten een Koerdische burgeroorlog tussen PUK en KDP. Talabani vocht, onderhandelde en zocht externe bemiddelaars. Na eerdere bemiddelingspogingen in Ankara leidde Amerikaanse diplomatie op 17 september 1998 tot de Washington Agreement, waarin Talabani en Masoud Barzani afspraken maakten over machtsdeling, inkomsten en verkiezingen, een breekbaar raamwerk, maar het redde levens en maakte het Koerdische bestuur weer functioneel. Talabani’s rol was hier tekenend: een strijder die wist dat duurzame veiligheid alleen via politieke architectuur kon worden verankerd.
Naar Bagdad: van oppositieleider tot president
Na de val van Saddam Hussein in 2003 stapte Talabani naar het nationale toneel. Als lid en zelfs een maand voorzitter van de Iraakse Regeringsraad werkte hij mee aan de Transitional Administrative Law (TAL), de voorlopige grondwet die federale principes borgde, Koerdische verworvenheden beschermde en de route uitzette naar verkiezingen en een permanente constitutie. In de verkiezingen van januari 2005 vormden de Koerdische partijen een sterk blok, wat de deur opende naar een Koerdische president. Op 6 april 2005 koos de Iraakse Nationale Vergadering Talabani tot president; de dag erna legde hij de eed af. Voor het eerst in de moderne geschiedenis werd Irak geleid door een niet-Arabische president.
Als president stond Talabani bekend als verzoener: hij kreeg ruziënde leiders aan één tafel en verdedigde consequent een inclusieve koers, voor soennitische participatie, voor sjiitisch-Koerdische samenwerking, en voor vreedzame geschillenbeslechting met Bagdad. Tegelijkertijd werkte hij, samen met andere Koerdische leiders, aan de permanente grondwet van 2005, die de Koerdische Regio formeel als federale regio erkende en zo de juridische basis van het Koerdische zelfbestuur verankerde. Het was geen eindpunt, wel een historisch slot op de deur tegen terugval.

Mam Jalal als Koerd
Talabani’s betekenis laat zich niet reduceren tot zijn presidentschap. Hij bouwde een partij die generaties opleidde en pluralistische politiek in Koerdistan normaliseerde; hij institutionaliseerde federale waarborgen in de Iraakse rechtsorde; hij bemiddelde in intra-Koerdische conflicten en hielp met het herstellen van het bestuur na burgeroorlog; en hij onderhield kanalen naar Ankara, Teheran, Washington en Europese hoofdsteden. Zelfs buiten het Koerdische dossier was hij ijzersterk: door zijn reputatie als onderhandelaar kon hij nationale crises de-escaleren en het parlementaire proces vlot trekken wanneer persoonlijk wantrouwen het systeem verlamde. In dat alles bleef hij herkenbaar als “Mam Jalal”: toegankelijk, humorvol, maar strategisch vasthoudend.
Laatste jaren en nalatenschap
In december 2012 kreeg Talabani een zware beroerte. Na behandeling in Duitsland keerde hij in 2014 terug, maar bleef fragiel. Op 3 oktober 2017 overleed hij in Berlijn. Drie dagen later kreeg hij in Sulaimaniyah een staatsbegrafenis met militaire eer; zijn kist was bedekt met de Koerdische vlag en hij werd bijgezet op Dabashan-heuvel. Tienduizenden namen afscheid, een collectieve erkenning dat, met al zijn tegenstrijdigheden, Mam Jalal een anker was in een halve eeuw Koerdische en Iraakse geschiedenis.

Zijn nalatenschap is tweeledig. Aan de ene kant is er de tastbare erfenis van structuren: een Koerdische regio met internationaal erkende federale status; partijen en instellingen die, hoe ruziënd ook, een politiek veld vormen in plaats van uitsluitend een slagveld. Aan de andere kant is er een methode: het geloof dat praten, ook met tegenstanders, geen zwakte is maar een strategie, essentieel om kleine volken en gemarginaliseerde groepen in een vijandige omgeving te laten overleven. In een tijd waarin maximalisme lonkt, herinnert Talabani ons aan iets onmoderns en daarom waardevols: de kunst van het genoeg – genoeg om te beschermen wat er is, genoeg om stap voor stap verder te komen.
Daarom herdenken we hem. Niet alleen omdat hij de eerste Koerdische president van Irak was, maar omdat hij een politiek vocabulaire achterliet waarmee Koerden en niet-Koerden vandaag nog uit de impasse kunnen komen: federale waarborgen voor minderheden, deelhabe in Bagdad, en het doorzetten van dialoog, ook wanneer de verleiding groot is om het zwaard te trekken. Mam Jalal leerde ons dat waardigheid soms betekent dat je een compromis sluit dat morgen overleven mogelijk maakt. Dat is een les die niet veroudert.


