De wereld heeft de Koerden (wederom) gefaald
Deze opiniestuk is geschreven door: Ahmed Khoshnaw
Halabja. Dersim. Anfal. Roboski. Afrin. Cizre. Sur. Sinjar. En nu: Sheikh Maqsoud en Ashrafiyah. Elke naam staat voor een hoofdstuk waarin Koerden – en vaak ook andere minderheden die naast hen leefden – werden aangevallen, verdreven of uitgewist, terwijl de buitenwereld doorgaans hetzelfde repertoire afspeelde: bezorgdheid uitspreken, “oproepen tot terughoudendheid”, en vervolgens doorgaan alsof het onvermijdelijk was. Wie de Koerdische geschiedenis kent, herkent het patroon direct. Wat in afgelopen week in Aleppo gebeurde, voelt daarom niet als een “nieuw incident”, maar als de nieuwste bevestiging van iets ouds: de wereld leert zelden van haar eigen morele schulden tegenover de Koerden.
Sheikh Maqsoud en Ashrafiyah: het moment waarop Aleppo weer een waarschuwing werd
De Koerdische wijken Sheikh Maqsoud en Ashrafiyah in Aleppo kwamen afgelopen week onder zware druk te staan door gevechten tussen Koerdische strijders en veiligheidstroepen van de Syrische transitieregering. Volgens internationale berichtgeving ging het om dagenlange, intense clashes, met tientallen doden en een humanitaire impact die niet “lokaal” genoemd kan worden: meer dan 140.000 mensen raakten ontheemd. Syrische veiligheidstroepen trokken de wijken binnen nadat onderhandelingen over integratie van Koerdische formaties in een nationaal leger vastliepen; beide kanten beschuldigden elkaar van het in gevaar brengen van burgers en civiele infrastructuur. Er waren meldingen van beschietingen in dichtbevolkte zones, spanning rond medische voorzieningen en een atmosfeer waarin een civiele wijk in hoog tempo verandert in een “militaire zone”, exact het soort taal waarmee menseleed vaak wordt genormaliseerd.
Dat laatste is de kern. Wanneer een staat of machtscentrum een wijk “sluit”, “zuivert” of “uitkampt”, verschuift de discussie al snel van mensen naar kaarten. Van families naar posities. Van recht naar strategie. En precies daar faalt de wereld: ze accepteert te gemakkelijk dat Koerdische levens in de categorie “complex conflict” vallen, alsof complexiteit een vrijbrief is voor passiviteit. In Aleppo werd wéér zichtbaar hoe snel het lot van Koerden onderhandelingsmateriaal wordt, zelfs nadat zij in de afgelopen tien jaar een sleutelrol speelden in de strijd tegen ISIS en daar een enorme prijs voor betaalden.

De morele schuld na ISIS: dankwoorden zonder bescherming
Er is een ongemakkelijke waarheid die in diplomatieke taal vaak wordt weggemoffeld: zonder Koerdische strijdkrachten in Syrië en Irak had de internationale coalitie tegen ISIS niet hetzelfde resultaat geboekt, niet in hetzelfde tempo, en zeker niet met dezelfde grondcapaciteit. Amerikaanse en coalitiecommunicatie is daar al jaren helder over: de strategie leunde op lokale partners “by, with, and through”, en in Syrië waren de Koerdisch geleide SDF en Peshmerga de meest effectieve grondpartner. De val van het territoriale “kalifaat” bij Baghouz (2019) werd door die coalitiepartners samen geclaimd, maar het menselijk offer lag disproportioneel bij de lokale Koerdische troepen en hun gemeenschappen.
En toch is het precies na zulke gezamenlijke overwinningen dat het verraad mechanisch terugkeert. Zodra het “ISIS-dossier” naar de achtergrond schuift, wordt Koerdische veiligheid opnieuw ondergeschikt gemaakt aan grotere geopolitieke prioriteiten: relaties met Ankara, deals met Damascus, stabiliteit met Baghdad, energie- en migratiedossiers met Teheran. Dat is geen abstract cynisme; het is een herhaalbaar patroon dat je door de decennia heen kunt volgen. De internationale gemeenschap spreekt vaak over “waarden”, maar behandelt Koerden opvallend vaak als een variabele in een vergelijking die elders wordt opgelost.
Van Sèvres naar Lausanne: een volk dat uit verdragen werd weggeschreven
De wortel van dit falen ligt dieper dan één crisis. In de nasleep van de Eerste Wereldoorlog stond het idee van Koerdische zelfbeschikking kort op papier in internationale afspraken (zoals de logica rond Sèvres), maar de latere realiteit werd Lausanne: een vredesorde waarin een onafhankelijk Koerdistan niet werd verankerd en waarin Koerden als politieke factor structureel uit het “officiële” raamwerk verdwenen. Juridisch en diplomatiek was het een draaipunt: wat eerst als mogelijkheid werd besproken, werd daarna behandeld als een inconvenient detail.
Dit is geen semantiek. Wanneer een volk niet voorkomt in de architectuur van verdragen, wordt het ook sneller weggedrukt in de architectuur van bescherming. Minder internationale “pijlers” betekent minder internationale gevolgen wanneer het misgaat. Het gevolg is dat Koerden sindsdien te vaak in de marge van statelijke belangen zijn geplaatst, en dat de wereld dat, bewust of niet, als normaal is gaan zien.

1975: een geopolitieke handtekening, een Koerdische instorting
Het jaar 1975 is een ander ijkpunt van institutioneel verraad. De Algiers-overeenkomst tussen Iran en Irak leidde ertoe dat Iran zijn steun aan Iraakse Koerden stopzetten, steun die de opstand feitelijk in leven hield. In ruil kreeg Iran grensconcessies; de Koerden kregen de rekening. Amerikaanse documenten uit die periode beschrijven zonder omwegen dat Iran de steun afsneed en dat Iraq daarmee “bevrijd” werd van de Koerdische opstand. Dit is het soort realpolitik dat achteraf altijd wordt verpakt als “noodzakelijke stabiliteit”, maar voor Koerden voelde als een les: bondgenootschappen kunnen verdampen zodra de prijs elders lager is.
Anfal en Halabja: genocide terwijl de wereld keek
Wanneer het over falen gaat, kan niemand om Iraq in de jaren tachtig heen. Human Rights Watch documenteerde de Anfal-campagne als een genocide tegen de Koerden, met massale verdwijningen, vernietiging van dorpen en grootschalige moordpartijen. Halabja werd het symbool: een chemische aanval op burgers, met duizenden doden en een trauma dat tot vandaag doorwerkt in families en in Koerdische collectieve herinnering. Het schokkende is niet alleen wat er gebeurde, maar ook hoe beperkt en laat de internationale afrekening was. Dit was geen geheim. Het was een misdaad die in rapporten, getuigenissen en analyses zichtbaar werd, en toch bleef structurele bescherming uit.
Als je dit naast Aleppo 2026 legt, zie je de echo: wanneer Koerden onder vuur liggen, krijgt de wereld al snel “andere prioriteiten”. Toen was het de Koude Oorlog en regionale machtsbalansen. Nu is het de post-Assad-herinrichting van Syrië, migratiepolitiek, en de permanente schaduw van Turkse veiligheidsdoctrines. De mechanismen verschillen; het resultaat niet.

Roboski, Cizre, Sur: wanneer burgers verdwijnen in ‘veiligheidsoperaties’
Ook in Bakur (Noord-Koerdistan) bestaan er namen die laten zien hoe snel Koerdisch burgerleed kan worden gereduceerd tot een voetnoot. De luchtaanval bij Uludere/Roboski (2011), waarbij 34 burgers werden gedood, leidde volgens mensenrechtenorganisaties tot een pijnlijk gebrek aan verantwoording en gerechtigheid. In 2015–2016 volgden zware veiligheidsoperaties en langdurige avondklokken in Koerdische gebieden, waarbij internationale organisaties waarschuwden voor burgerdoden, disproportioneel geweld en schendingen van basisrechten. Ook hier klonk internationale zorg, maar geen consequenties die in verhouding staan tot het leed.
Dit is relevant voor Aleppo omdat het verklaart waarom Koerden wantrouwig zijn wanneer een overheid zegt dat integratie “veiligheid” brengt. Koerden hebben te vaak gezien dat “veiligheid” in de praktijk betekent: ontmanteling van zelfbescherming, gevolgd door druk, arrestaties, demografische verschuivingen of culturele verstikking. Je hoeft geen ideoloog te zijn om dan garanties te eisen; je hoeft alleen geschiedenis te kennen.

Afrin en 2019: het moment waarop ‘bondgenoot’ een tijdelijk woord bleek
De recente Syrische geschiedenis leverde bovendien een illustratie die in het Koerdische geheugen staat gegrift: Afrin (2018) en de Amerikaanse terugtrekking die in 2019 ruimte gaf aan een Turkse offensieve fase in Noordoost-Syrië. Humanitaire rapporten legden massale ontheemding vast rond Afrin; media en mensenrechtenorganisaties rapporteerden zorgen over misbruik door door Turkije gesteunde groepen. En in 2019 werd de wereld opnieuw geconfronteerd met het effect van strategische keuzes: Amerikaanse documenten en berichtgeving beschreven intern harde kritiek dat de VS niet serieus geprobeerd zou hebben het geweld en mogelijke misstanden te voorkomen nadat de koers wijzigde. Voor Koerden was de boodschap helder: waardering voor hun strijd tegen ISIS betekende geen harde veiligheidsparaplu wanneer de geopolitieke wind draaide.
2026 in Aleppo: opnieuw het script van toekijken
Wat de aanvallen en gevechten rond Sheikh Maqsoud en Ashrafiyah extra pijnlijk maakt, is de timing. Dit gebeurt in een Syrië dat zichzelf opnieuw probeert uit te vinden na de val van Assad (december 2024), met internationale bemiddeling, akkoorden op papier, en veel retoriek over nationale eenheid. Maar zodra Koerdische wijken en Koerdische autonomievragen het brandpunt worden, verschuift de reflex naar “de-escalatie” zonder afdwingbaarheid. De VS bood aan te bemiddelen; er kwamen oproepen tot kalmte; er was talk over terugkeer naar gesprekken. Intussen werden wijken gesloten, mensen verdreven, en werd het dagelijks leven van honderdduizenden in de wachtstand gezet.

En daar ligt de vernietigende conclusie: de wereld faalt niet omdat ze “niets weet”. Ze faalt omdat ze wél weet, maar de kosten van handelen hoger inschat dan de kosten van Koerdisch lijden. De wereld faalt omdat ze Koerden blijft zien als instrument: nuttig tegen ISIS, lastig bij staatsvorming; bewonderenswaardig als strijders, problematisch als politieke gemeenschap met rechten; welkom als symbool, onhandig als realiteit.
Waarom dit falen structureel is – en waarom het Koerden in 2026 extra raakt
Er zijn drie structurele redenen waarom dit falen steeds terugkomt. Ten eerste: Koerden hebben geen soevereine staat die automatisch hard power mobiliseert bij crises. Dat maakt elke Koerdische gemeenschap afhankelijker van goodwill, coalities en tijdelijke afspraken. Ten tweede: Koerdische gebieden liggen precies op de breuklijnen van regionale macht, Turkije, Iran, Irak en Syrië, waardoor Koerdische rechten vaak worden “uitgeruild” om elders escalatie te voorkomen. Ten derde: de internationale orde is selectief in morele urgentie. Waar sommige tragedies snelle politieke energie krijgen, worden Koerdische tragedies vaak behandeld als “onderdeel van de regio”.
Daarom is Aleppo 2026 niet alleen een Syrisch probleem. Het is een spiegel voor een internationale moraal die Koerden consequent net onvoldoende belangrijk vindt om echte bescherming te organiseren. En voor Koerden is het nog bitterder omdat zij in het afgelopen decennium juist het bewijs leverden van wat verantwoordelijkheid kan zijn: het verdedigen van gemeenschappen tegen ISIS, het bieden van bestuur in chaos, het dragen van de zwaarste lasten van een oorlog die de wereld óók bedreigde.
Wat de wereld ‘nooit meer’ noemt, gebeurt opnieuw
“Never again” is een frase die in internationale fora zwaar klinkt en in Koerdische straten hol aanvoelt. Want voor Koerden is “nooit meer” geen herdenking, maar een vraag: waarom dan wéér? Waarom steeds weer dezelfde cyclus van offers, applaus, stilte, en vervolgens nieuwe aanvallen zodra macht verschuift?
Sheikh Maqsoud en Ashrafiyah zijn vandaag niet alleen wijken in Aleppo. Ze zijn een test voor de geloofwaardigheid van de wereld na ISIS, na grote woorden over recht, na lessen uit het verleden. En als de reactie vooral bestaat uit diplomatieke formulezinnen terwijl honderdduizenden hun huizen verliezen, dan is de titel van dit stuk geen retoriek maar diagnose: de wereld heeft de Koerden gefaald, opnieuw, openlijk, en in 2026 zelfs met alle historische waarschuwingen in het zicht.

