De Eylûl-revolutie: Negen jaar strijd voor Koerdische autonomie (1961–1970)
Geschreven door: Ahmed Khoshnaw
Op 11 september 1961 barstte in het noorden van Irak de “Eylûl-revolutie” los: Koerdische Peshmerga’s onder leiding van Mulla Mustafa Barzani namen de wapens op tegen de centrale regering in Bagdad. Wat begon als een conflict over niet-ingeloste beloften van autonomie groeide in negen jaar uit tot een uitputtende oorlog die hele dorpen ontvolkte, generaties tekende en de politieke kaarten van Irak blijvend herschikte. Het conflict eindigde in maart 1970 met een autonomie-akkoord, op papier veelbelovend, in de praktijk een prelude op nieuwe oorlogen. Deze analyse zet de oorzaken, het precieze begin, de verlooplijnen en de uitkomst systematisch op een rij, en laat zien hoe de effecten tot vandaag in Koerdistan voelbaar zijn.
Oorzaken: van revolutie naar desillusie (1958–1961)
De staatsgreep van 1958 bracht generaal Abd al-Karim Qasim aan de macht. Hij haalde Barzani terug uit Sovjet-ballingschap en sprak publiekelijk over erkenning van de Koerden als “tweede natie” van Irak, inclusief regionale autonomie. In 1959–1960 werd de KDP gelegaliseerd en groeide Barzani’s invloed in de berggebieden. Maar naarmate Bagdad centraliseerde en Barzani’s basis sterker werd, sloeg Qasim om: beloften werden vooruitgeschoven, rivaliserende (pro-regerings) stamverbanden tegen Barzani aangewakkerd en het veiligheidsapparaat opgerekt. Het vertrouwen stortte in: de KDP diende in juni 1961 een laatste ultimatum in; Bagdad weigerde. Het zaad voor oorlog was gezaaid.

Het startsein: 11 september 1961 – ambush, bombardementen en de formele breuk
De directe aanleiding was een Koerdische hinderlaag op een Iraakse legerkolonne begin september. Qasim gaf daarop het bevel tot luchtaanvallen, op 13 september werden Barzan en omliggende dorpen gebombardeerd. In diezelfde week opende het Iraakse leger een noordelijke campagne, en 11 september 1961 werd het ijkpunt waaronder de Koerdische zijde de oorlog formeel dateerde. Bagdad ontbond nog in september de KDP; Barzani richtte de peshmerga op als de facto guerrilla-leger. Zo werd een politiek conflict definitief militair.
Wie tegenover wie: leiders, kampen en steunlijnen
Aan Koerdische zijde was Mulla Mustafa Barzani de onbetwiste opperbevelhebber, gesteund door KDP-organisatoren als Ibrahim Ahmad en Jalal Talabani (die later zijn eigen koers zou varen). De Peshmerga werden gedragen door stamnetwerken en lokale comités; hun tactiek: mobiliteit, terreinbeheersing en logistiek via bergpassen. Aan Iraakse zijde stond eerst de regering-Qasim (1958–1963), gevolgd door de Ramadan-coup (Ba’th, feb. 1963), de Arif-broers (1963–1968) en vanaf juli 1968 de (tweede) Ba’th-machtsovername van Ahmed Hassan al-Bakr met Saddam Hussein als voorman. Externe factoren telden mee: Iran leverde, wisselend en discreet, wapens en munitie aan de Koerden; Syrië stuurde in 1963 zelfs troepen ter ondersteuning van Bagdad; de Koude Oorlog kleurde diplomatie en wapentoevoer. Schattingen voor sterkte lopen uiteen (Peshmerga ruwweg 15–20.000; Iraaks leger tegen het einde ~48.000 in het noorden), net als slachtofferaantallen (enkele tienduizenden tot ruim honderdduizend doden).
1961–1964: van openingsfase tot eerste wapenstilstand
De eerste oorlogsjaren waren klassiek berg-guerrilla tegen een reguliere macht. Na de bombardementen op Barzan volgden grondoperaties en cordon-acties. De Peshmerga sneden routes af, lokten konvooien bergengten in en ontweken vaste fronten. De regering bombardeerde herhaaldelijk dorpen en vluchtkolonnes, waarbij complete nederzettingen werden “geëgaliseerd”, zoals contemporaine rapporten schrijven. In februari 1964 sloot president Abd al-Salam Arif met Barzani een staakt-het-vuren, dat de strijd tijdelijk dempte, maar interne tegenstellingen binnen de Koerdische beweging aanwakkerde (tussen Barzani’s kamp en stedelijke radicalen).

1965–1966: de oorlog laait op – Panjwin en Hendrîn (Handren)
In 1965 hervatte Bagdad het offensief (o.a. rond Panjwîn), terwijl in de lente 1966 een grootschalige poging werd gedaan om de Koerden neer te slaan. De campagne eindigde in een pijnlijke nederlaag: de Slag bij (Mount) Hendrîn/Handren in mei–juni 1966 bij Rawanduz, waar Peshmerga’s, gebruikmakend van terreinvoordeel en geconcentreerde hinderlaag-tactiek, een Iraakse formatie zware verliezen toebrachten. De klap dwong Bagdad tot een politiek gebaar: premier Abd al-Rahman Bazzaz presenteerde op 29 juni 1966 een vredesplatform (15 punten) dat Koerdische nationaliteit en culturele rechten erkende. Het was een doorbraak, maar breed tegengesproken door Iraakse militairen die vreesden voor gezichtsverlies.
1968–1970: Ba’th, patstelling en de weg naar 11 maart
Na de machtsovername van de Ba’th in 1968 trachtte Bagdad opnieuw militair overwicht te forceren, terwijl het tegelijk de diplomatieke isolatie doorbrak (o.m. een vriendschapsverdrag met de USSR in 1972, net na de oorlog). Operationeel stokte de Iraakse opmars al in 1969; Koerdische bevoorrading via de Iraanse grens en steun in berggemeenschappen hielden een patstelling in stand. Onderhandelingskanalen werden heropend. In maart 1970 legde de Revolutionaire Commandoraad in Bagdad, na een ontmoeting tussen Saddam Hussein en Mulla Mustafa in Nawperdan (10 maart), de Autonomieverklaring van 11 maart 1970 vast: binnen vier jaar zou een Koerdische autonome regio ontstaan (drie gouvernoraten + demografisch te bepalen aangrenzende districten), Koerdisch werd officiële taal in meerderheidgebieden, en Koerden kregen vertegenwoordiging in leger en staatsinstellingen. Op papier was dit het meest serieuze vredesvoorstel tot dan toe.

Tactieken en middelen: luchtaanvallen, ‘jash’ en dorpsverwoestingen
Gedurende de jaren zestig leunde Bagdad zwaar op luchtmacht en artillerie, alsmede op pro-regerings Koerdische milities (de zgn. jash, oftewel ‘verraders’), om Peshmerga-logistiek te breken. Archieven en contemporaine analyses melden herhaalde bombardementen op dorpen en infrastructuur, soms met brand- en cluster-munitie; in Britse stukken wordt zelfs gesproken over “evident” gebruik van napalm door Iraakse Hunters in 1965. De CIA duidt al in 1961 op “gelijkgemaakt” dorpskernen door luchtbombardementen. De cijfers lopen uiteen, maar de burgerbevolking betaalde onevenredig veel: massale ontheemding, vernietigde oogsten en stelselmatige druk om strategische zones te ontruimen.
Sociaal-politieke prijs: interne breuken en de belegerde samenleving
De oorlog vergrootte ook interne spanningen onder Koerden. De wapenstilstand van 1964 legde een breuk bloot tussen Barzani’s aanhangers en een radicalere stadsfractie. Tegelijk polariseerde het conflict (ook religieus en etnisch) de samenleving in het noorden: Arabische garnizoenen, jash-formaties en geruchten van her-huisvesting of Arabiseringsmaatregelen voedden angst en wrok, vooral in de olie-gevoelige gebieden van Kirkuk en Khanaqîn, waar Bagdad in de late jaren zestig/ vroege jaren zeventig de demografie trachtte te sturen. De oorlog werd zo niet alleen een militair, maar ook een demografisch en cultureel gevecht.
De vrede van 11 maart 1970: waar, hoe en waarom het (niet) lukte
Het akkoord kwam formeel uit Bagdad, als verklaring van de Revolutionaire Commandoraad; het hoe was een wekenlang shuttle-proces tussen partijkanalen en persoonlijke ontmoetingen, met de foto van Saddam en Barzani in Nawperdan als iconisch moment. Het waarom lag in wederzijdse uitputting: het Iraakse leger kon de Peshmerga niet beslissend breken; Barzani zag dat Koerdische eenheid en externe steun (Iran) niet eindeloos gegarandeerd waren. De inhoud was ambitieus (twee-taligheid, vertegenwoordiging, autonomie en een demografisch te bepalen kaart), maar cruciale implementatie-vragen, de grenzen van de autonome regio, integratie van Peshmerga, de status van Kirkuk, bleven onderhuids. Het akkoord was daarmee een wapenstilstand met ingebouwde deadlines, niet de sluitsteen van een duurzaam staatsarrangement.

Wat het Iraakse leger en regime Koerden aandeden (1961–1970)
Naast frontgevechten bestond het regeringsoptreden uit indiscriminate air strikes, collectieve straffen (o.a. het afbranden of slopen van dorpen die Peshmerga steunden), arrestaties en deportaties binnen de regio. In internationale en eigen archiefbronnen worden luchtaanvallen op dorpen (vanaf 1961), zware offensieven (1963, 1965, 1966) en een groeiende militarisering van het dagelijks leven gedocumenteerd; westerse en Iraakse documenten uit de jaren zestig bevestigen dat de burgerbevolking stelselmatig de schade droeg. Deze aanpak vormde een voorloper van de latere, veel omvangrijkere campagne van Arabisering (vooral na 1970) en, uiteindelijk, de Anfal-campagne van de jaren tachtig, een continuüm van staatsgeweld tegen Koerdische gemeenschappen, al liggen de schaal en aard in de jaren zestig beduidend lager dan tijdens Anfal.
Na 1970: effecten en erfenis tot vandaag
Korte termijn: het autonomie-akkoord gaf de Koerden juridische erkenning, Koerdisch werd een officiële taal in meerderheidsgebieden en er kwamen organen voor Koerdisch bestuur en cultuur. Maar al snel stokten sleutel-implementaties (census/aansluiting van betwiste districten), laaide wantrouwen op (aanslagen en wederzijdse beschuldigingen) en bleef de militaire logica op de achtergrond sluimeren. In 1974 schoof Bagdad een eenzijdige autonomie-wet naar voren; de Koerdische leiding verwierp die, en de Tweede Iraaks-Koerdische oorlog brak uit. De Algiers-overeenkomst (1975), waarin Iran steun introk, deed de Koerdische frontlinie instorten, een trauma dat het strategisch denken tot diep in de jaren tachtig bepaalde.
Lange termijn: de oorlog van 1961–1970 was de matrijs waarin moderne Koerdische instituties, symboliek en veiligheidsstructuren werden gesmeed. De Peshmerga-identiteit, het idee van autonomie binnen Irak en de koppeling van taal- en onderwijsrechten aan territoriale zelforganisatie stammen rechtstreeks uit 1970. Tegelijk liet de periode een erfenis na van gespleten loyaliteiten (jash-dossiers), geografische littekens (ontvolkte valleien, verplaatste grenzen) en structureel staatswantrouwen. Zonder de Eylûl-oorlog zijn latere keerpunten, 1991 (no-fly-zone, KRG-vorming), 2005 (constitutionele erkenning van de KRI), en het hedendaagse debat over betwiste gebieden en artikel 140, niet te begrijpen. In die zin was 1961–1970 geen geïsoleerd hoofdstuk, maar het proloog-en-script van Koerdistans moderne politieke geschiedenis.
Slot
De Eerste Iraaks-Koerdische oorlog begon omdat beloften werden gebroken en eindigde omdat beide zijden hun grenzen voelden. Tussen die polen bouwden Koerden, tegen luchtaanvallen, cordons en ontworteling in, aan een politiek project dat pas op papier in 1970 werd erkend en pas decennia later bestuurlijke vorm vond. De Eylûl-oorlog is daarom zowel waarschuwing (autonomie zonder implementatie is uitstel van conflict) als grondlegger (taal, instellingen, veiligheidsarchitectuur) van wat Koerdistan vandaag is.

