>>> Saddam Hoessein en Mohammad Reza Pahlavi

Algiers 1975: een pact tegen de Koerden

Op 6 maart 1975 werd in Algiers een akkoord ondertekend tussen Irak en Iran dat op papier ging over grenzen, veiligheid en wederzijdse niet-inmenging. Voor de Koerden betekende het echter iets heel anders: een abrupte geopolitieke ruil, waarbij hun strijd werd ingeruild voor staatsbelangen van grotere machten. Dit had op lange, en korte termijn, direct impact op de rol van de Koerden in het Midden-Oosten, met name in Zuid-Koerdistan. Het was het ogenblik waarop duidelijk werd dat de Koerdische kwestie voor regionale en internationale spelers vooral een drukmiddel kon zijn, zolang dat uitkwam, en een last werd zodra er elders winst te behalen viel.

Juist nu is het belangrijk om bij dat moment stil te staan. De regio staat opnieuw onder zware spanning. Analisten waarschuwen dat de Koerden in bredere confrontaties rond Iran kan worden meegetrokken, terwijl ook Iraans-Koerdische oppositiegroepen uit Oost-Koerdistan opnieuw worden genoemd in het strategische denken van externe machten. Tegelijk ligt de herinnering aan eerdere Amerikaanse steun en latere terugtrekking bij Koerden nog altijd open, mede door de recente ontwikkelingen in Syrië en het afbrokkelen van eerdere Amerikaanse bescherming van Koerdische bondgenoten. Daardoor is het Algiers Pact een donkere hoofdstuk in de geschiedenis van de Koerden en een spiegel die het lot van de Koerden reflecteert.

Van links naar rechts: Mohammed Reza Pahvlavi (Iran), Saddam Hoessein (Irak) en Houari Boumédiène (Algerije)

Wat eraan voorafging
Om het pact te begrijpen, moeten we terug naar de jaren zestig en vroege jaren zeventig. In Irak woedde al jarenlang een strijd tussen de Iraakse staat en de Koerdische beweging onder leiding van Mulla Mustafa Barzani. Na de Baath-machtsovername en het mislukken van eerdere regelingen bleef de kern van het conflict onveranderd: de Koerden eisten erkenning, autonomie en zeggenschap; Bagdad wilde centrale controle behouden. De autonomie afspraak van 11 maart 1970 leek even een opening te bieden, maar bleef steken in wantrouwen, uitstel en fundamentele onenigheid over macht, grondgebied en vooral de oliegebieden rond Kirkuk en andere betwiste zones. Toen Bagdad in 1974 een eigen autonomie wet oplegde die ver achterbleef bij Koerdische verwachtingen, laaide de oorlog opnieuw op.

In die oorlog stond de Koerdische opstand niet op zichzelf. Iran van sjah Mohammad Reza Pahlavi steunde Barzani, niet uit principiële solidariteit, maar omdat het de Koerdische opstand kon gebruiken om druk uit te oefenen op Irak. Ook de Verenigde Staten raakten via geheime kanalen betrokken, in nauwe samenhang met de Iraanse lijn. Het doel van Washington was niet om een onafhankelijke Koerdische toekomst veilig te stellen, maar om het Baath-regime in Bagdad onder druk te houden binnen de bredere Koude Oorlog en regionale machtsstrijd. Dat maakte de Koerdische beweging militair sterker, maar ook kwetsbaarder: haar overlevingskansen gingen steeds meer afhangen van belangen die niet de hare waren.

Waarom het pact werd gesloten
Het Algiers Pact kwam voort uit een harde ruil tussen twee staten. Irak wilde vooral één ding: dat Iran zijn steun aan de Koerdische opstand zou stopzetten. De opstand hield het Iraakse leger langdurig bezig en ondermijnde de stabiliteit van Bagdad in het noorden. Iran wilde op zijn beurt een gunstige regeling in het grensgeschil met Irak, vooral rond de Shatt al-Arab-waterweg. Uiteindelijk gaf Irak toe op het grensvraagstuk en accepteerde het in essentie de thalweg-lijn als basis voor de grens in de vaargeul. In ruil daarvoor trok Iran de stekker uit de Koerdische opstand. De kern van het pact was dus niet verzoening, maar uitwisseling: grond en grens voor stilte aan het Koerdische front.

De Shatt al-Arab nabij Basra, Irak

Daarmee werd de Koerdische kwestie herleid tot onderhandeling materiaal. Niet de rechten van miljoenen Koerden stonden centraal, maar de vraag welke concessies Teheran en Bagdad van elkaar konden krijgen. Dat is precies waarom 6 maart 1975 zo diep in het Koerdische collectieve geheugen gegrift staat: de opstand werd niet militair verslagen in een open, eerlijke confrontatie tussen gelijke partijen, maar politiek afgesneden door een deal achter gesloten deuren.

Wie de hoofdrolspelers waren
De zichtbare gezichten van het pact waren sjah Mohammad Reza Pahlavi namens Iran, Saddam Hussein namens Irak, toen nog vicevoorzitter van de Ba’ath-partij maar feitelijk al de sterke man van het Iraakse regime, en de Algerijnse president Houari Boumédiène als bemiddelaar. Achter hen stonden staatsapparaten, diplomaten, veiligheidsdiensten en buitenlandse belangen. Voor de Koerden was Mulla Mustafa Barzani de centrale leider van de opstand, maar hij zat niet aan tafel toen over het lot van zijn volk werd beslist. Dat feit alleen al zegt veel over de aard van het akkoord: het ging over de Koerden, maar niet mét de Koerden.

Ook de Verenigde Staten waren een belangrijke, zij het niet-officiële factor. De steun aan de Koerden was immers verweven met de strategie van de sjah en met de Amerikaanse regionale politiek. Toen Iran van koers veranderde, volgde de Amerikaanse lijn feitelijk mee. De Koerden ontdekten daardoor op de hardst denkbare manier dat een geheime bondgenoot geen garantie is op politieke trouw. De geclassificeerde Amerikaanse documenten uit die periode laten zien hoe abrupt het strategische draagvlak verdween zodra Teheran en Bagdad hun akkoord hadden gesloten.

Waarom juist Algerije bemiddelde
Algerije was in de jaren zeventig een invloedrijke diplomatieke speler in de niet-gebonden wereld en profileerde zich als staat die regionale conflicten kon helpen ontmijnen. President Boumédiène had aanzien in de Arabische wereld én een reputatie als assertieve bemiddelaar. Voor zowel Iran als Irak was Algiers daarom een bruikbare en relatief gezaghebbende locatie om een gevoelige regeling te sluiten zonder directe tussenkomst van een westerse hoofdstad. Algerije bood prestige, politieke dekking en een neutraal decor voor een deal die voor beide kanten moeilijk lag.

Maar de keuze voor Algerije had ook een symbolische waarde. Het gaf het akkoord een uitstraling van regionale legitimiteit: alsof hier een ordelijke oplossing tussen buurstaten werd bereikt. Voor de Koerden maskeerde dat juist de harde realiteit dat hun lot werd beslist binnen een staatslogica waarin volkeren zonder staat nauwelijks meetelden. Het “regionale” karakter van het akkoord maakte het voor externe machten bovendien eenvoudiger om afstand te bewaren, terwijl zij achter de schermen wel degelijk invloed hadden gehad op het krachtenveld dat tot deze uitkomst leidde.

Wie het pact feitelijk opstelden
Het akkoord werd formeel gedragen door de regeringen van Iran en Irak, met hun diplomatieke en juridische teams, en onder Algerijnse bemiddeling vastgelegd. Later volgden andere verdragen en protocollen waarin de grensafbakening verder juridisch werd uitgewerkt. Juridisch gezien ging het dus om staatsdocumenten tussen Teheran en Bagdad; politiek gezien was het een overeenkomst die werd ontworpen door regimes die elk een eigen strategisch doel wilden bereiken en daarvoor bereid waren de Koerdische opstand op te offeren.

De Koerden hadden in dat proces geen gelijkwaardige vertegenwoordiging, geen vetorecht en geen internationale waarborg. Dat gebrek aan Koerdische agency is essentieel. Niet alleen omdat het onrechtvaardig was, maar ook omdat het de structurele zwakte van de Koerdische positie blootlegde: zelfs wanneer Koerden militair relevant waren, bleven zij diplomatiek uitsluitbaar. Dat patroon zou later opnieuw terugkeren in andere periodes van de Koerdische geschiedenis.

De onmiddellijke gevolgen
Na het pact sloot Iran de grens en stopte het de steun aan Barzani’s opstand. Daarmee stortte de militaire positie van de Koerdische beweging in. Iraakse troepen lanceerden zware offensieven, de opstand brokkelde snel af en een massale vluchtelingenstroom kwam op gang. Honderdduizenden Koerden werden ontheemd of vluchtten richting Iran en Turkije. Wat eerst nog een gewapende strijd met geopolitieke dekking was geweest, veranderde in een humanitaire ramp.

Mulla Mustafa Barzani stuurde in maart 1975 een wanhopige boodschap aan Henry Kissinger waarin hij schreef dat de beweging en het volk “op een ongelooflijke manier” werden vernietigd en dat de Verenigde Staten een morele en politieke verantwoordelijkheid droegen. Die boodschap is historisch blijven hangen omdat ze de essentie van het Koerdische gevoel van verraad samenvat: een volk had zich verbonden aan een geopolitieke lijn van grootmachten, en werd vervolgens achtergelaten zodra de deal elders was gemaakt.

De diepe impact op de Koerden
De impact van het Algiers Pact was veel groter dan de militaire nederlaag van 1975 alleen. Het beschadigde het vertrouwen van Koerden in regionale en internationale garanties. Het liet zien dat steun van buitenaf vaak voorwaardelijk, tijdelijk en instrumenteel is. Het Algierspact werd een les voor de Koerden; wie geen eigen harde garanties heeft, kan door bondgenoten worden opgeofferd worden zodra hun belangen verschuiven.

Die les resoneerde later opnieuw in de herinnering aan Anfal, aan de naoorlogse machtsverhoudingen in Irak, aan de discussies over federale rechten na 2003, en recenter ook aan de positie van Koerdische bondgenoten van de VS in Syrië. De omstandigheden zijn niet identiek, maar het patroon is herkenbaar: Koerden worden vaak militair bruikbaar geacht, maar politiek niet volwaardig behandeld wanneer de grote onderhandelingen beginnen. Juist daarom blijft Algiers 1975 een historisch ijkpunt voor de Koerdische kwestie tot op de dag van vandaag.

Wat het pact betekende voor de Koerdische kwestie op lange termijn
Op langere termijn dwong de nederlaag van 1975 de Koerdische politiek tot hergroepering. Oude structuren stortten in, nieuwe stromingen kwamen op, en het denken over autonomie, verzet, diplomatie en zelfbeschikking veranderde. Vanaf dat moment kon niemand nog serieus volhouden dat de toekomst van de Koerden uitsluitend in Bagdad werd beslist; Teheran, Ankara, Damascus, Washington en andere spelers waren er telkens mede in verweven.

De ironie is dat het pact ook niet de duurzame stabiliteit bracht die de ondertekenaars suggereerden. Irak herriep het akkoord in 1980, waarna de oorlog met Iran losbarstte. Dat onderstreept opnieuw hoe kortzichtig de logica van 1975 was: een volk werd opgeofferd in naam van “stabiliteit”, maar die stabiliteit bleek zelf van korte duur. Wat bleef, was de schade voor de Koerden.

Waarom Algiers nog altijd actueel is
Wie vandaag naar de regio kijkt, ziet opnieuw dat Koerdische gebieden op de kruising liggen van andermans oorlogen, veiligheidsagenda’s en diplomatieke deals. Precies daarom moet over Algiers 1975 worden geschreven en gelezen. Het sentiment wat voelbaar is, komt voort uit het gevoel van een ‘waarschuwing’ voor de Koerden. Het herinnert eraan dat de Koerdische kwestie telkens opnieuw wordt benaderd vanuit de belangen van staten, tenzij Koerden zelf voldoende politieke, militaire en diplomatieke hefboom opbouwen om niet opnieuw gereduceerd te worden tot ruilmiddel.

De herdenking van 6 maart is dus meer dan een terugblik op een zwarte bladzijde. Het is een moment om helder te zien hoe verraad werkt in de internationale politiek: niet altijd via grote woorden, maar vaak via handtekeningen, grenslijnen en stilvallende telefoons. Voor de Koerden was Algiers geen abstract akkoord. Het was het moment waarop een volk leerde dat zijn bloed voor anderen onderhandelbaar kon zijn. En zolang dat mechanisme in nieuwe vormen blijft terugkeren, blijft de Algiers Pact van 1975 een noodzakelijke herinnering.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring